In de jaren ’20 werd elk jaar een boekje uitgegeven over de ‘Toegepaste kunsten in Nederland: een reeks monografieën over hedendaagsche sier en nijverheidskunst’. Deze reeksen werden uitgegeven op initiatief van de Nederlandsche Vereeniging voor Ambachts-en Nijverheidskunst en waren bedoeld voor “ieder die de cultuur van Nederland wil volgen en zijn schoonheidszin wil ontwikkelen door voorlichting in woord en beeld.” Het boekje geeft een mooi beeld van kleding en kledingversiering uit de jaren 1910 en 1920 van vrouwen.

Avondmantel van Hirsch en Cie, 1927, versierd met borduursteken en kralen.

Reformkleding

In het boekje ‘Sierkunst en vrouwenkleding’ uit 1927 wordt een overzicht gegeven van de vrouwenmode, en dan met name de ambachtelijke sierkunst hierbij, van de afgelopen 30 jaar, dus grofweg vanaf 1900-1927. Reformkleding komt aan bod, met aandacht voor de praktische eisen van kleding. Deze kleding was vereenvoudigd en zou beter zijn voor de vrouw dan “de slaafsche navolging van (mode uit) Frankrijk dat de toon aangaf”. Een kenmerkend element van Reformkleding zou de verdeling van het kostuum zijn in “horizontale richting tusschen de borsthoogte en de taille.” De rokken werden korter, waardoor de eerste vrouwen zouden zijn nageroepen met : “Kip op hoge poten!”.

Praktische versiering

Op de vakschool voor kleermaaksters in Amsterdam leerden de vrouwen kleding maken die de bouw van het menselijk lichaam volgde. Versiering moest weloverwogen worden toegepast en praktisch zijn. Een sluiting mocht bijvoorbeeld zichtbaar zijn, een sierlijke, maar praktische toepassing in de vorm van knopen en knoopsgaten of haken en ogen. Reformkleding werd tot circa 1910 gedragen. Daarna zien we toch dat de modegrillen uit Frankrijk het weer overnemen, met een dalende taillelijn die op een gegeven moment zelfs zakt tot onder de heupen! Deze kleding is echter ook bevrijdend voor de vrouwen, dus het resultaat van praktischere kleding is blijvend. Ook lijkt in Nederland de focus bewaard op het volgen van de bouw van het menselijk lichaam, in ieder geval in de groep die geassocieerd wordt met de ‘Toegepaste Kunsten in Nederland’.

Handenarbeid

Ambachtelijkheid, vooral na de oorlogsjaren toen grondstoffen weer beschikbaar waren, werd gewaardeerd. Eigen geweven kledingstof, zelf geverfd met batik, een gehaakte kraag of een mooi patroon in borduurwerk, het zijn voorbeelden die aan bod komen in ‘Sierkunst en Vrouwenkleeding’. Haak-en borduurwerk wordt als handenarbeid nog steeds toegepast. Het zelf batikken komt in onze Westerse wereld op veel kleinere schaal voor.

Batik

Het is echter al een eeuwenoude traditie in Indonesië. Ook uit China en Japan zijn weefsels bekend met uitsparingstechnieken die stammen uit de 6e en 8e eeuw. Bij batik wordt een stof geverfd door een patroon af te dekken met was en het vervolgens te verven, waarbij de gebieden waar was zit niet geverfd worden. De techniek om zo te verven én het eindresultaat worden batik genoemd. Mogelijk dat de naam ‘batik’ van het Javaanse woord voor ‘schrijven’ of ‘stippen’ afkomstig is. Het patroon wordt namelijk aangebracht met een was-pen, waarin je als het ware schrijft of tekent met vloeibare was. Deze methode wordt ‘batik tulis’ genoemd. Een andere methode om de was aan te brengen is met een metalen stempel. Batik was is een combinatie van parafine, bijenwas en hars. Chris Lebeau was één van de vroeg 20ste eeuwse kunstenaars die deze eeuwenoude techniek toepaste in zijn werk.

Gepaste kleding voor elk lichaam

Uit onderstaande foto blijkt nogmaals, dat voor ieder vrouwenlichaam er een gepaste kleding werd gemaakt, en dat het Nederlandse modebeeld in deze jaren helemaal niet een grote nadruk legde op slanke modellen.

Een zogenaamde Kazak, ontworpen in batiktechniek door S. van Straten de Vries, 1924.

Kinderkleding

Volgens het boekje kan er niet vroeg genoeg worden begonnen met het ontwikkelen van een goede kledingsmaak. De twintigste eeuw wordt door de schrijver C. Proos-Berlage “de eeuw van het kind” genoemd en het kind moet zo gekleed worden dat het past bij de individualiteit van het kind. “Het kleden van het kind is een verantwoordelijke daad. Die verantwoordelijke daad is zo op te vatten, dat de goed vervaardigde kinderkleding aan het kind belangstelling geeft voor de latere sierkunst in het kleed van de vrouw en mede de kiem legt van de smaakontwikkeling voor het verdere mensenleven.”

Ontwerp van C. Schaake, een gebreide en gehaakte kinderjurk uit 1925.